Wij danken de provincie Oost-Vlaanderen, Stad Sint-Niklaas, Temse en Lokeren voor de financiële ondersteuning van dit project. Dankzij hen kon dit project tot stand komen. In Beveren is eveneens een LIFT-project lopende.

 

LIFT-programma, hoe en wat?

Kinderen, die gedragsproblemen vertonen in de klas en op school, betekenen een ‘kost’ voor de school en de gemeenschap in zijn geheel. Deze kinderen lopen het risico ook op andere ontwikkelingsdomeinen problemen te vertonen. Zij lopen meer kans om te falen op school, betrokken te raken bij delinquentie en druggebruik. Aangezien er een leerplicht is –voor de meeste ouders betekent dit een schoolplicht- bevindt de school zich in een positie dat ze veel invloed heeft of kan hebben op kinderen tijdens die jaren dat ze ook het meest beïnvloedbaar zijn. Programma’s die vertrekken van op de school hebben het potentieel om zeer effectief te zijn in de preventie van gedragsproblemen bij kinderen. Het LIFT-programma is zo'n programma.

LIFT staat voor "Linking the Interests of Families and Teachers" of het verbinden van de belangen van gezinnen en leerkrachten. Het is een preventieprogramma met als doel het voorkomen van de ontwikkeling van gedragsproblemen bij kinderen. Het werd ontwikkeld door de onderzoeksgroep rond Gerald Patterson in het Oregon Social Learning Center (OSLC) in de Verenigde Staten.

Het oorspronkelijke programma is ontwikkeld voor het eerste en vijfde leerjaar van de lagere school. Deze bewerking is echter bedoeld om gebruikt te worden in de derde kleuterklas. Zowel deze bewerking als de oorspronkelijke programma’s hebben de bedoeling zich te richten op overgangsleeftijden (van kleuterschool naar lagere school en van lagere school naar de middenschool). Het LIFT-programma is ontwikkeld om de verschillende settings of omgevingen in een kinderleven te betrekken, meer bepaald het gezin en de school, vooral dan op de terreinen van de ouder-kind-relatie en de relatie met leeftijdsgenoten. Daarom is het ook belangrijk dat de verschillende LIFT-onderdelen tegelijkertijd worden gebruikt en uitgevoerd.

 

De LIFT-onderdelen:

1. De oudertraining:

De oudertraining omvat drie bijeenkomsten die dorgaan in de school. Alle ouders van de klassen die deelnemen aan het programma worden uitgenodigd. Centraal in het ouderprogramma staat het werken rond die ouderlijke vaardigheden die belangrijk zijn in het versterken van het zelfvertrouwen en het leren luisteren, van kinderen.

 

2. Het sociale-vaardigheidsprogramma

Het sociale-vaardigheidsprogramma omvat verschillende lesjes gespreid over meerdere weken en wordt uitgevoerd in de klas. Het is noodzakelijk het programma ook door te trekken naar de speelplaats. Dit vergroot aanzienlijk de kans op generalisatie van de geleerde vaardigheden.

Het doel van dit sociale vaardigheidsprogramma is positieve interactie tussen leeftijds- en klasgenootjes aan te moedigen. Om dit te bereiken krijgen de kinderen een aantal activiteiten aangeboden met als doel het samenspelen met hun vriendjes leuker te laten verlopen. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan het leren problemen oplossen. Deze vaardigheden kunnen vervolgens geoefend worden als er zich een probleem voordoet in de klas of tussen enkele kinderen.

 

Het sociale vaardigheidsprogramma omvat twee componenten die elkaar aanvullen en versterken.

De eerste component omvat het aanleren van vaardigheden en houdt in dat de kinderen relationele en probleemoplossingvaardigheden leren en oefenen. Het is aangewezen dat deze lesjes tweemaal in de week doorgaan gedurende tien weken. Gezien de jonge leeftijd van deze kinderen is het eveneens aangewezen de groep waarmee gewerkt wordt op te splitsen in groepjes van zes - tot tien kinderen. De lesjes of activiteiten die verder beschreven worden vormen een richtlijn en zijn gebaseerd op reeds bestaand materiaal. Leerkrachten die ervaring hebben met andere of aanvullende activiteiten die hetzelfde doel nastreven kunnen hiervan zeker gebruik maken. De bijeenkomsten duren zelden langer dan 20 à 25 minuten. Dat is zowat de periode dat vijf- en zesjarigen maximaal geconcentreerd bij dezelfde activiteit kunnen blijven.

De tweede component vormt het speelplaats-goed-gedrag-spel. 

Het doel hiervan is vooral het verminderen of tegengaan van dat gedrag dat positieve relaties met leeftijdsgenoten verstoort. Kinderen krijgen complimenten en beloningen voor positief spel met leeftijdsgenoten tijdens de minder gestructureerde speeltijdsituaties. Vooral het verminderen van het verworpen worden door leeftijdsgenootjes van zwakke, maar ook agressieve kinderen is hierbij erg belangrijk. Het verworpen worden vormt immers een opstap naar de ontwikkeling van ‘vriendenkliekjes’ die alleen nog bestaan uit risicokinderen.

 

Wenst u meer informatie?

Contactpersoon: Vera Messiaen

E-mailadres: vera.stop@stop4-7.be

Tel: