SENSIBILISATIE KINDERMISHANDELING:

1. Het project “kindermishandeling, een actie waard”.

Dit project kent z’n opstart ten gevolge van een pijnlijk gebeuren.  In 2006 stierf een jongentje, 2.5 jaar oud, in de regio Waasland aan de gevolgen van kindermishandeling.  Het betrof een voormalige mobiele begeleiding van het CKG.  Het kind was ondertussen reeds ruim een half jaar thuis en in die korte tijd was er in de context van het kind één en ander veranderd.  We besloten met een aantal partners, waaronder het Vertrouwenscentrum KM, rond de tafel te gaan zitten en de casus te evalueren. 
De analyse toonde 2 belangrijke dingen aan; enerzijds was er de vaststelling dat jonge kinderen bijzonder kwetsbaar zijn, mede door het feit dat ze nog niet schoolgaand zijn.  Anderzijds stelden we vast dat een aantal nuldelijndiensten betrokken waren maar geen kennis hadden inzake signalen rond KM.  
Vanuit deze basis besloten we, in partnerschap met  het RWO Waas en Dender, K&G Oost Vlaanderen, Vertrouwenscentrum OV, Het Open Poortje, de verantwoordelijke der opvoedingswinkel en verantwoordelijke der kinderdagverblijven St Niklaas, een regionaal project op te starten dat als doel had om het aantal kwetsbare gezinnen waar KM voorkomt en dat door de mazen van het hulpverleningsnet glipt, sneller te onderscheppen teneinde hen adequaat te begeleiden.  Dit project, dat eerst in St Niklaas liep, met de steun van de stad St Niklaas, was gekenmerkt door een drie-sporenvorming;                                                   

  • de nuldelijn-medewerkers sensibiliseren en bekwamen in het herkennen én omgaan met signalen van kindermishandeling,                                                                                                
  • de organisaties leren nadenken rond een interne visie en procedure inzake KM,           
  • de handelingsverlegenheid aanpakken door deze nuldelijn te leren taal te geven aan hun bezorgdheden (hoe communiceer ik met de ouders hier rond).

Het project dat een 300 nuldelijn-medewerkers bereikte, werd overgenomen door de provincie Oost Vlaanderen die hetzelfde format wist in te zetten voor een 30 instappende gemeentes.  
Dit project werd uiteindelijk ook overgenomen door de provincies Antwerpen (2010 tem 2013) en Vlaams Brabant (2011).  Het VK-Antwerpen verkoos om er een vierde spoor bij te nemen, met name nuldelijnpartners bekwamen in de dialoog met kinderen. 
Ook Kind en Gezin bleek de meerwaarde in te zien van dit project en besloot om haar sector van de Kinderopvang te bekwamen inzake preventie kindermishandeling.  In dit kader startte in het najaar 2010 in alle provincies een gelijkaardig traject waar men de kinderdagverblijven, onthaalouders, enz wenste te bereiken.  Ook dit vormingstraject werd uitgewerkt door de provinciale VK’s, maar ditmaal zonder partnerschap met de CKG’s.

Het project kreeg in de provincie Antwerpen een nieuw accent; de werkgroep (waarin enkele CKG’s, het VK en provinciale medewerkers) besloot om dit vormingspakket expliciet te richten naar stedelijke-gemeentelijke en OCMW-medewerkers.  De uitgesproken wens was om op gemeentelijk niveau een breed gedragen verankering van dit preventiebeleid KM te realiseren.  Na een aanbod dat liep over 2010-2011, kwam er een herhaling van dit project in 2012-2013.                                                        136 medewerkers uit 25 gemeentes stapten namen deel aan dit laatste vormingsaanbod. In juni 2014 werd de gemeente Boom door de provincie Antwerpen in de bloemen gezet daar zij, in navolging van het vormingsproject, een prachtige brochure ontwikkelden waarin een uitgebreid stappenplan bij een vermoeden van kindermishandeling, hanvaten voor gesprekken met ouders en kinderen, vuistregels voor confronterende gesprekken, enz.  Deze borchure is bij de gemeente Boom opvraagbaar (hilde.rypens@ocmwboom.be of kim.vanvelthoven@ocmwboom.be). 

De Antwerpse provinciale werkgroep besliste om, naar het jaar 2015, geen project in te dienen en het thema terug te evalueren in het betreffende jaar.

 

2. Preventie kindermishandeling, een strategische reflectie.

Met onderliggende aanbevelingen, pretendeert de VZW Het Open Poortje niet dat het hierrond grote ambities koestert, noch dat het zich een “expertisecentrum” waant.  
De aanbevelingen zijn echter gegroeid vanuit de concrete realiteit en de vaststelling dat het thema kindermishandeling weliswaar meer en meer politieke en maatschappelijke erkenning krijgt (één van de laatste kantelende taboes), maar er amper sprake is van een strategisch beleid. 

1. Streven naar een soort handvest inzake preventie KM dat door steden en gemeentes wordt ondertekend.  Hierin zouden gemeentes zich ondermeer kunnen engageren om specifiek personeel zoals jeugddienst-medewerkers,… een opleiding te laten volgen inzake preventie KM, integreren ze een procedure KM in hun structuren en dienen ze ook regionale diensten die expertise hebben in KM en IFG, te bezoeken teneinde vlot te kunnen doorverwijzen.  Kortom; preventie kindermishandeling zou moeten verankerd worden in het lokale, gemeentelijke beleid. 

2. Recurrente middelen voor een beperkte maar intensieve en langdurige vorming KM-IFG, gericht naar jeugdhulpverleners binnen de IJH.  Vlaanderen heeft nog te weinig KM-deskundigen die regionaal actief zijn op het terrein (heden enkel geconcentreerd binnen de provinciale VK’s).  Het is belangrijk dat in elke regio er een dergelijke deskundige aanwezig is die vlot aanspreekbaar is, maar verbonden aan een specifieke organisatie.  Deze deskundigen zouden zich moeten bekwamen in gespreksvoering, slachtofferhulp, daderbegeleiding, IFG, SOS, enz. 

3. De inauguratie van een Vlaamse leerstoel KM.  Deze zou ondermeer een belangrijke rol kunnen spelen in het vormingsaanbod, in de dialoog tussen enerzijds universitaire departementen en het werkveld en zou ook moeten “wegen” op het politieke beleid.

4. Uitbouw van een Vlaams kenniscentrum KM-IFG die als opdracht heeft om kennis hieromtrent te verspreiden, projecten en vormingen te coördineren, visie uit te werken, onderzoek te stimuleren, Europese dialoog aan te gaan met internationale partners en intersectorale dialoog inzake KM te initiëren.  Al jaren wordt gehoopt op Europese middelen hierrond, van uitstel komt echter afstel.

5-Heropstart van een vormingscel-KM die zich richt naar het onderwijs.  Deze vormingscel-KM zou een gelijkaardige opdracht moeten hebben als het terziele gegane project POV (Preventieproject Onderwijs Vertrouwenscentra kindermishandeling) dat zich richtte naar leerkrachten, directies en andere medewerkers van kleuter- en lager onderwijs.  Men verwijst al te vlot naar de CLB’s als aanspreekpunt voor de scholen (en dus voor thema’s rond KM), niettemin is het zinvol om ook schoolmedewerkers te bekwamen inzake preventie KM zodat zij de dialoog met kinderen en ouders durven opnemen.

6-Ontwikkeling van een DVD inzake “in gesprek gaan met ouders rond een vermoeden van KM” en “in gesprek gaan met kinderen die (vermoedelijk) slachtoffer zijn van KM”.  Wie vormingen heeft gevolgd, ook inzake KM, zal moeten vaststellen dat kennis soms dreigt te verdwijnen, mede omdat men deze kennis niet dagelijks moet hanteren.  Wie enkel zeer sporadisch met (een vermoeden van) KM wordt geconfronteerd zou moeten kunnen terugvallen op zeer toegankelijk en didactisch materiaal.  Het uitwerken van een DVD, gebaseerd op rollenspelen die stilstaan bij verschillende casussen en knelpunten, moeten de hulpverlener extra ondersteunen wanneer hij een moeilijk gesprek moet ondergaan.

7-Installering van een intensievere samenwerking tussen de sectorale partners van K&G inzake preventie KM, zowel binnen als tussen de afdelingen kinderopvang en preventieve gezinsondersteuning.  Hierbij denken we aan een sectorale raad met vertegenwoordigers uit de meerdere afdelingen en een specifieke opdracht hieromtrent in de provinciale afdelingen.

8-Uitwerken van een Vlaamse beleidsvisie betreffende de aanpak van de problematiek der “carrousel in de jeugdhulp”.  We durven te beweren dat talloze kinderen het slachtoffer zijn van een dergelijk ongewilde maar reële vorm van kindermis-be-handeling waarbij kinderen meerdere malen verplaatst worden tussen residentiële organisaties (en pleegzorggezinnen).
De ethische commissie van het Vlaams Welzijnsverbond heeft in 2012 een ethisch advies hierrond geschreven (continuïteit van zorgrelaties).  Dit advies kan een eerste aanzet zijn tot een verdere verdieping van deze belangrijke jeugdhulpproblematiek.